Scholen in het funderend onderwijs zijn verplicht burgerschapsonderwijs te geven, waarmee ze leerlingen voorbereiden op deelname aan de democratische samenleving. Sinds 1 augustus 2021 is de wettelijke burgerschapsopdracht aangescherpt. Het doel van deze wetswijziging is om scholen meer richting te geven in het doelgericht, samenhangend en herkenbaar vormgeven van burgerschapsonderwijs. In opdracht van het ministerie van Onderwijs Cultuur Wetenschap evalueerde het Verwey-Jonker Instituut de ervaren werking van de wet in de onderwijspraktijk.
De evaluatie laat een positief-kritisch beeld zien. Veel scholen herkennen de uitgangspunten van de wet en zijn voortvarend aan de slag gegaan met het ontwikkelen van leerdoelen en leerlijnen. Tegelijkertijd blijkt het vertalen van abstracte begrippen naar de dagelijkse lespraktijk voor veel onderwijsprofessionals lastig. De wet biedt weliswaar ruimte voor eigen invulling, maar dat vraagt om ondersteuning, zeker voor scholen die nog in een beginfase zitten.
Ook het toezicht door de Inspectie van het Onderwijs wordt wisselend ontvangen. Het geeft scholen een impuls om burgerschap explicieter vorm te geven, maar roept ook vragen op over de beoordelingskaders en kan leiden tot een nadruk op de papieren werkelijkheid. Monitoring van effecten blijkt in veel gevallen nog beperkt. Scholen vragen ook om concrete handvatten, professionele ontwikkeling, mogelijkheden voor kennisdeling en toegankelijke ondersteuning.
De evaluatie onderstreept het belang van een gedifferentieerde ondersteuningsstructuur die aansluit bij de diversiteit aan schoolcontexten. De verduidelijkte wet vormt geen eindpunt, maar juist een vertrekpunt voor het verder versterken en verankeren van burgerschapsonderwijs in het funderend onderwijs.