Onafhankelijk onderzoek actueel en richtinggevend

Lang niet alle bewoners melden ondermijnende criminaliteit in hun buurt

Utrecht, 19 december 2018

Hennepteelt, illegale prostitutie, het produceren of verkopen van harddrugs. Het gebeurt in buurten en wordt regelmatig gezien door bewoners. Maar lang niet alle bewoners zijn bereid om deze ondermijnende criminaliteit te melden bij de daarvoor bestemde instanties. Dat blijkt uit een onderzoek dat door Bureau Broekhuizen – onderzoek en advies en het Verwey-Jonker Instituut in opdracht van de Taskforce Brabant Zeeland werd gedaan naar de meldingsbereidheid van Brabanders en Zeeuwen. Tot het melden van de verkoop van harddrugs is 30% van de respondenten bereid. En 42% geeft illegale prostitutie door. Opvallend is dat de intentie die respondenten uitspreken om vormen van ondermijnende criminaliteit in hun buurt te melden, beduidend hoger ligt. Tussen de 63% en 79% zegt dat ze hiervan melding zouden maken als dit in hun buurt zou voorkomen.

Belang van meldingsbereidheid van burgers

Ondermijning ontstaat op het grensvlak van boven- en onderwereld. De criminele industrie maakt namelijk veel gebruik van legale diensten uit de bovenwereld zoals transport (zoals post- en koeriersdiensten), logistiek (zoals havens), financiën (zoals banken, accountants, notarissen) en kwetsbare bedrijven (zoals in de agrarische sector). In Brabant en Zeeland pakken politie, gemeenten, Openbaar Ministerie en de Belastingdienst binnen de Taskforce Brabant Zeeland samen georganiseerde criminaliteit aan. Afgelopen najaar kende Minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid 24,5 miljoen euro toe voor de aanpak van ondermijnende criminaliteit in Brabant en Zeeland. De komende drie jaar wordt gewerkt aan een slimmere aanpak van deze vorm van criminaliteit. Daarvoor zijn de uitkomsten van dit onderzoek de basis.
Oud- secretaris-generaal van Justitie & Veiligheid Hans van der Vlist: “De regio zet in op slimmer werken door het benutten van technologie; het vergroten van de maatschappelijke- en sociale weerbaarheid bij alle (private) partners en in kwetsbare wijken. Ook wil de regio de meldingsbereidheid van burgers vergroten."
Voor een effectieve aanpak van ondermijnende criminaliteit staat volgens de Taskforce Brabant Zeeland niet alleen de overheid aan de lat, maar dienen publieke- en private partijen samen te werken én is hulp van burgers nodig. Zij zijn belangrijke ‘oren en ogen’ in de samenleving. Het is van belang dat zij signalen van ondermijnende criminaliteit melden bij een instantie, zoals de politie of Meld Misdaad Anoniem.

Pilotonderzoek

De onderzoekers voerden een onderzoek uit in drie buurten in Eindhoven, Middelburg en Tilburg. Verdeeld over de buurten werden in totaal 693 burgers bevraagd: wat leeft er onder hen aan kennis, ervaringen en attitudes rond ondermijnende criminaliteit. En welke factoren een rol spelen bij de meldingsbereidheid van ondermijnende criminaliteit. Waarom melden mensen wel of niet wat ze zien en weten? (zie het kadertje voor deze bevindingen). Met dit pilotonderzoek werd voor de eerste keer in Nederland de meldingsbereidheid van ondermijnende criminaliteit wetenschappelijk en kwantitatief onderzocht. Het onderzoek betreft wel een pilot: er dienen in de toekomst meer buurten en burgers bevraagd te worden om de huidige bevindingen nader te onderbouwen.

Burgers hebben vrij goed zicht op ondermijnende criminaliteit

Wat blijkt is dat mensen redelijk goed zicht hebben op ondermijnende criminaliteit in de buurt. Zo geeft ongeveer één op de drie respondenten aan dat er in de eigen buurt winkels zijn waar (bijna) nooit een klant komt, maar die wel blijven bestaan of dat er mensen wonen die gaan baan hebben of een laagbetaalde baan, maar die wel veel geld hebben (mogelijke signalen van ondermijnende processen). En één op de vijf respondenten benoemt dat buurtgenoten zich bezighouden met hennepteelt of het verkopen van harddrugs. Kortom: er is informatie voorhanden die de overheid graag zou willen hebben om ondermijnende criminaliteit tegen te gaan.

Burgerprofielen

Burgers hebben diverse redenen waarom ze wel of niet melding maken van ondermijnende criminaliteit. De onderzoekers onderscheidden naar aanleiding van dit pilotonderzoek vier profielen van burgers:
1. Melders (40% van de respondenten), die relatief vaak 45+ers zijn en een relatief hoog inkomen hebben. Zij hebben relatief weinig kennis van wat er in hun buurt plaatsvindt. Bij deze groep is het dus vooral zinvol in te zetten op meer kennis over (signaleren van) verschillende fenomenen.
2. Waarschijnlijke melders (28%), relatief vaak 35-64 jarigen en personen met een HBO/WO opleidingsniveau. Zij zouden gestimuleerd kunnen worden tot melden door het versterken van het vertrouwen in de politie en het meer bekend maken van meldmogelijkheden.
3. Bij (nog) niet-melders (16%), relatief vaak 13-24 jarigen, kan de meldingsbereidheid vergroot worden door het versterken van het vertrouwen in de politie en het meer bewustmaken van de gevolgen en gevaren van ondermijnende criminaliteit. Met name hennepteelt vinden jongeren ‘niet erg’.
4. De niet-melders (17%) zijn relatief vaak 65+ers met een laag opleidingsniveau en inkomen. Bij hen is het zinvol om in te zetten op meer bewustwording van de negatieve gevolgen van ondermijnende criminaliteit en op het meer bekend maken van (anonieme) meldmogelijkheden.

Factoren die van invloed blijken op de bereidheid om melding te maken zijn:

1. De zekerheid en bewijs over daderschap. Burgers blijken bang dat ze iemand vals beschuldigen en dat ze hun melding onvoldoende kunnen onderbouwen.
2. Het bewustzijn van de ernst van de problematiek. Burgers die georganiseerde criminaliteit niet erg vinden, er zelf geen last van hebben en denken dat dit type criminaliteit geen negatief gevolg voor de buurt heeft, zijn minder bereid om te melden.
3. Het vertrouwen in het optreden van de overheid. Burgers zijn minder geneigd om te melden als ze denken dat de overheid de melding niet oppakt of niet succesvol ondermijnende criminaliteit aan kan pakken.
4. Kennis over en geloven in anoniem melden. Burgers die niet weten dat anoniem melden bestaat en er niet in geloven dat dit ook daadwerkelijk anoniem is, zijn minder bereid om te melden.

Voor meer informatie en het volledige onderzoeksrapport zie: Bureau Broekhuizen en Verwey-Jonker Instituut

Floor de Booys
Senior communicatieadviseur
06 - 18668757