Onderzoek naar bejegening lesbische vrouwen en homoseksuele mannen op de werkvloer
Homoseksuelen (m/v) hebben nog steeds geregeld te kampen met onheuse bejegening op de werkvloer. Dat blijkt uit het onderzoek Discriminatie is het woord niet van het Verwey-Jonker Instituut in opdracht van de Commissie Gelijke Behandeling (CGB). De meest voorkomende bejegeningsproblemen zijn incidentele of regelmatiger voorkomende opmerkingen, grapjes, aanduidingen en verwijzingen die voor homoseksuelen kwetsend kunnen zijn. Niet vaak regelrechte discriminatie, maar wel gedrag dat tot alledaags onbehagen leidt.
De CGB wilde inzicht krijgen in de aard, de omvang en de beleving van discriminatie van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen op de werkvloer. Ten tweede wilde de commissie weten welke mogelijkheden en maatregelen organisaties hebben om discriminatie op basis van seksuele voorkeur te voorkomen of op te lossen.
Het onderzoek is gedaan in drie sectoren: het openbaar bestuur, de sector transport- en communicatie en de gezondheidszorg. Uit het onderzoek komt naar voren dat homoseksualiteit in veel bedrijven niet of nauwelijks op de agenda staat. Er is geen probleem, dus er is geen aanleiding voor beleid, zo lijkt het idee. Bij nader inzien blijken er wel degelijk bejegeningsproblemen op de werkvloer te bestaan, juist dáár waar homoseksuelen weinig zichtbaar zijn .
In vrouwensectoren (in dit onderzoek de GGD van een gemeente en een ziekenhuis) is vaak bekend wie homoseksueel (m/v) is. Onheuse bejegening komt daar weinig voor. Vooral de werknemers in het ziekenhuis zijn bijzonder positief over de bedrijfscultuur. Niet alleen omdat de werksfeer prettig is, maar ook omdat er een scala van mogelijkheden (instrumentarium) bestaat om discriminatie aan de orde te stellen.
In mannensectoren (in dit onderzoek een transport- en communicatiebedrijf en de afdeling stadwerken van een gemeente) bestaat de meeste moeite met homomannen en iets minder met lesbovrouwen. (Homo)mannen die ook maar een klein beetje afwijken van de sociaal verwachte sekserol op de mannenwerkvloer lopen kans ‘de pispaal’ te worden. ‘Potteuze’ lesbovrouwen hebben hier meer kans op een prettige werkomgeving: zij worden vaak beschouwd als ‘een van de jongens’.
De werkvloer verwacht dat homomannen en lesbovrouwen problemen met onheuse bejegening of homonegativiteit zullen rapporteren aan leidinggevenden en vertrouwenspersonen. Dat strookt niet met de praktijk: homoseksuelen trekken minder dan andere werknemers aan de bel. Het blijkt vaak moeilijk om alledaags onbehagen aan de orde te stellen in een werkomgeving die er vanuit gaat dat zoiets ‘bij ons niet aan de orde is’.
De aanbevelingen die de onderzoekers doen zijn ten eerste dat werkgevers- en werknemersorganisaties beter en meer gegevens verzamelen omtrent bejegening en seksuele voorkeur. Gerichte vragen in medewerkersbetrokkenheid- en motivatieonderzoeken zijn noodzakelijk om werkbeleving en werkplezier van diverse groepen werknemers boven tafel te krijgen. Ten tweede zou de CGB het instrumentarium dat wel werkt binnen organisaties, bekender kunnen maken. Daarbij valt te denken aan trainingen voor leidinggevenden en vertrouwenspersonen, de instelling van een bedrijfsombudsvrouw, of een anonieme meldplaats van bejegeningsproblemen op intranet. De publiciteit voor dit instrumentarium zou zich allereerst moeten richten op de sectoren waar onheuse bejegening naar alle waarschijnlijkheid het vaakst voorkomt: de mannenwerkvloeren.
Ook in de 19 juni a.s. te verschijnen bundel Oordelen en commentaren van de CGB is een artikel over dit onderzoek te vinden.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Communicatie van het Verwey-Jonker Instituut: 030 230 07 99.