Opvang en bescherming slachtoffers mensenhandel seksindustrie kan beter

Utrecht/Woerden, 14 februari 2008

Slachtoffers van mensenhandel die aangifte doen worden dikwijls slecht geïnformeerd over het verloop van de strafzaak. Vaak horen ze pas dat hun zaak is geseponeerd omdat hun (tijdelijke) verblijfsvergunning wordt ingetrokken. Wanneer ze aangifte doen hebben ze recht op een tijdelijke verblijfsvergunning. De IND moet hierover binnen een werkdag beslissen, maar in de praktijk wordt die norm maar in 20% van de gevallen gehaald. Dat levert problemen op bij het vinden van opvang. Ook wijst de politie slachtoffers er niet altijd op dat ze drie maanden bedenktijd mogen nemen om te beslissen of ze aangifte van mensenhandel willen doen.

Dit zijn enkele conclusies uit het onderzoek naar de positie van slachtoffers van mensenhandel in de seksindustrie in 2006, dat Bureau van Montfoort en het Verwey-Jonker Instituut hebben verricht in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatie Centrum (WODC) van het ministerie van Justitie.

3000 signalen

In 2006 kreeg de politie 3000 signalen binnen over mogelijke slachtoffers van mensenhandel. Na onderzoek bleek het in ongeveer een derde van de gevallen inderdaad om een (vermoedelijk) slachtoffer van mensenhandel te gaan. Ongeveer driekwart hiervan besluit aangifte te doen. Slachtoffers van mensenhandel zijn vooral vrouwen, maar het betreft ook mannen die werken in de seksindustrie. 30% van de signalen betrof slachtoffers jonger dan 18 jaar. Het overgrote deel van de slachtoffers is zonder legale verblijfsstatus in Nederland, of zit in de asielprocedure.

Risico op onbeschermde status

Slachtoffers zonder verblijfsvergunning die aangifte doen, vallen onder de zogeheten B9-regeling. Dat wil zeggen dat ze in Nederland mogen blijven zolang de strafzaak loopt. Ze krijgen een plek in de opvang.
Uit het onderzoek komt naar voren dat in meer dan 80% van de gevallen de IND (Immigratie- en Naturalisatie Dienst) niet de norm haalt om binnen een werkdag te besluiten over de aanvraag voor een B9-verblijfsvergunning. Zaken worden vaak snel geseponeerd en de aanvraag voor een tijdelijke verblijfsvergunning afgewezen. Dit is in strijd met het beleid en leidt tot problemen bij het vinden van opvang. Ook kunnen slachtoffers dan moeilijker een klacht indienen tegen de beslissing de zaak niet te vervolgen. Bovendien is het voor de vrouwen vaak onduidelijk dat hun zaak is geseponeerd. In theorie kunnen ze daarna een verblijfsvergunning op humanitaire gronden aanvragen, maar die wordt zelden verstrekt. Slachtoffers moeten dan zelf aantonen dat zij bij terugkeer het risico op wraakacties lopen en dat de overheid in hun eigen land hen daartegen niet wil of kan beschermen. In de praktijk blijkt dit erg moeilijk.

Verbeterde signalering doorzetten

Uit cijfers van de Stichting tegen Vrouwenhandel blijkt dat in 2006 meer slachtoffers zich hebben gemeld en dat meer slachtoffers een tijdelijke verblijfsvergunning hebben aangevraagd en gekregen. Dit duidt op verbeteringen in de signalering en toepassing van de B9. Desondanks is er verbetering mogelijk in de signalering van vermoedelijke slachtoffers in vreemdelingenbewaring en in de asielprocedure. Alleenstaande minderjarige asielzoekers vormen daarin een extra kwetsbare groep. Soms ook worden slachtoffers in bewaring genomen voordat ze geïnformeerd worden over de mogelijkheid van aangifte, bedenktijd en een tijdelijke verblijfsvergunning.
Andere zaken die verbeterd kunnen worden zijn de communicatie tussen het Openbaar Ministerie en andere partijen (politie, slachtoffer, advocaten), de aansluiting tussen uitkeringen en de toegang tot een opleiding en werk.

Achtergrond

Nederland is het eerste land dat een specifiek beleid voor de bestrijding van mensenhandel ontwikkelde. De monitor mensenhandel beoogt periodiek de positie van slachtoffers van mensenhandel, werkzaam in de seksindustrie, in Nederland in beeld te brengen. Daarnaast biedt de monitor een basis om de Tweede Kamer periodiek over de ontwikkelingen in de positie van deze groep slachtoffers te informeren.

Meer informatie:

Het rapport 'Positie van slachtoffers van mensenhandel. 1e trendrapportage' is ook te downloaden via Adviesbureau Van Montfoort www.vanmontfoort.nl en via www.wodc.nl 
VerweyJonker Instituut, Ida Linse (communicatieadviseur), telefoonnummer (030) 23 00 799 of 06 41 50 65 65. ilinse@verwey-jonker.nl
Bureau van Montfoort, René van Vianen, (0348) 481 200

Website en CMS door YPOS