Persverklaring Verwey-Jonker Instituut
Directie en onderzoekers van het Verwey-Jonker Instituut voelen zich in diskrediet gebracht door de negatieve publiciteit over het onderzoek naar het integratiebeleid en zien zich genoodzaakt een aantal punten recht te zetten. De voortijdige uitlatingen over het nog niet afgeronde onderzoek van het instituut dreigen de wetenschappelijke reputatie die het instituut in zijn tienjarig bestaan heeft opgebouwd te beschadigen. Het instituut is in het verleden niet actief betrokken geweest bij de beleidsontwikkeling rond integratiebeleid. Het Verwey-Jonker Instituut is van mening dat zijn kennis en expertise bij maatschappelijke vraagstukken een goede basis vormen voor het doen van gedegen wetenschappelijk onderzoek naar het integratiebeleid.
Het Verwey-Jonker Instituut verricht bronnenonderzoek naar het integratiebeleid in opdracht van de Tijdelijke Commissie Integratiebeleid van de Tweede Kamer (kamerstuk 28 689, nr. 2). De Commissie heeft dit onderzoek aan het Verwey-Jonker Instituut toegekend op basis van een offerte en een toelichtend gesprek bij de commissie. In de offerte is volstrekte openheid van zaken gegeven over de expertise van het instituut op het bedoelde terrein. Er is inzicht gegeven in het onderzoek dat het instituut in het verleden verrichtte rond integratie en minderhedenbeleid en in de publicaties van het instituut over dat onderwerp. Het instituut is in het verleden niet actief betrokken geweest bij de beleidsontwikkeling van het nationale integratiebeleid.
Het onderzoek voor de Tijdelijke Commissie Integratiebeleid van de Tweede Kamer staat onder leiding van dr. R. Rijkschroeff. Prof. J.W Duyvendak was van mei 1999 tot augustus 2003 algemeen directeur van het Verwey-Jonker Instituut. Prof. Duyvendak is thans als wetenschappelijk adviseur verbonden aan het onderzoeksteam dat de definitieve versie van het rapport en vier aanvullende rapporten gereed maakt voor publicatie door de commissie. De heer Duyvendak is nu hoogleraar Algemene Sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Per 1 augustus 2003 is hij opgevolgd door dr. J.C.J. Boutellier. Gezien het feit dat het instituut opdrachtnemer van het onderzoek is, draagt deze de eindverantwoordelijkheid voor het onderzoeksrapport.
Voordat de Tijdelijke Commissie besloten had tot openbaarmaking van de bronnenstudie, heeft één van de leden van de genoemde commissie zich in diskwalificerende zin uitgelaten. Zijn uitlatingen staan haaks op de tussenrapportages van de commissie aan de Tweede Kamer dd. 23 januari 2003 en op de keuze van de commissie om het Verwey-Jonker Instituut ook bij de vervolgonderzoeken te betrekken (brief aan de Tweede kamer dd.12 september 2003). Overeenkomstig de voorwaarden in het wederzijds overeengekomen onderzoekscontract heeft het instituut zich tot op heden moeten onthouden van enig commentaar. De brede strekking van de betreffende voorwaarden werd in een brief dd. 19 september 2003 van de griffier van de Tweede Kamer extra onder de aandacht van het Verwey-Jonker Instituut gebracht.
Na het besluit van de Tijdelijk Commissie om ons te ontheffen van de overeengekomen geheimhouding stellen wij nu graag de conceptversie van het onderzoeksrapport beschikbaar aan de pers onder het motto: laat de feiten spreken. Daarbij zij aangetekend dat het onderzoek de status heeft van een vooronderzoek ten behoeve van de Tijdelijke Commissie. Het onderzoek is verricht binnen een zeer kort tijdsbestek en met maximale inspanning van de betrokken onderzoekers.
Het Verwey-Jonker Instituut heeft onafhankelijkheid, objectiviteit en neutraliteit hoog in het vaandel staan. Dit geldt ongeacht de politieke voorkeuren van de betrokken onderzoekers. Deze onderzoekers dreigen thans door ongefundeerde insinuaties en suggesties geschaad te worden Het instituut vertrouwt erop dat vanuit de Kamer maatregelen worden genomen om de aangerichte schade te herstellen.
Ida Linse, 030 230 07 99