Gezinnen met jonge, nog niet schoolgaande kinderen die niet kunnen rekenen op een sociaal netwerk, lopen een verhoogd risico met sociale uitsluiting en armoede in aanraking te komen. Sociale uitsluiting betekent voor deze groep niet alleen financiële problemen en problemen met opleiding en werk. Sociaal uitgesloten gezinnen hebben geen netwerk waarop zij terug kunnen vallen, hebben onvoldoende contact met de buurt en voelen zich ook geïsoleerd.
Het vermogen van gezinnen zichzelf te redden vermindert nog extra als het welzijnssysteem onmachtig is te zorgen voor een alternatief veiligheidsnet voor gezinnen. Effectieve interventies om sociale uitsluiting tegen te gaan zijn gericht op samenhangende risicofactoren, op het herstellen van het sociale netwerk en het systematisch organiseren van hulp uit dat netwerk (community support).
Dit zijn de belangrijkste resultaten uit een onderzoek waarin de vraag is onderzocht hoe sociale uitsluiting van gezinnen met jonge kinderen kan worden voorkomen. De studie is in Griekenland, Engeland, Ierland en Nederland verricht. Het Verwey-Jonker instituut heeft met het SCO-Kohnstamm instituut het onderzoek uitgevoerd in opdracht van de Vereniging Humanitas. De onderzoeksbevindingen zijn te lezen in de zojuist verschenen publicatie De aanpak van sociale uitsluiting in gezinnen met jonge kinderen.
Geen enkele factor of combinatie van factoren kan sociale uitsluiting op een onbetwistbare wijze voorspellen en vaststellen. Daarom vatten de onderzoekers sociale uitsluiting op als een multidimensionaal begrip. De waarschijnlijkheid dat een gezin de situatie niet meer aankan en in de samenleving wordt gemarginaliseerd neemt toe wanneer er sprake is van drie of meer risicofactoren. Verder neemt die kans toe met het verstrijken van de tijd gedurende welke een gezin met tegenslag te kampen heeft.
Een kernfactor bij sociale uitsluiting is geringe deelname aan het economische, sociale, poltieke en culturele leven. Hoewel kinderen doorgaans een bron van plezier en voldoening zijn vermindert het opvoeden van kinderen tijdens de eerste jaren het vermogen van ouders om sociale relaties te onderhouden.
Andere risicofactoren voor sociale uitsluiting kunnen onvoldoende financiële voorzieningen zijn, gevoelens van isolatie en machteloosheid en gebrekkige sociale ondersteuning. Overigens hebben de onderzoekers een verschil geconstateerd tussen daadwerkelijk sociaal buitengesloten zijn en de beleving daarvan.
Uit het onderzoek blijkt dat interventies ter voorkoming en tegengaan van sociale uitsluiting vooral gericht zijn op het persoonlijk functioneren van de ouders als opvoeders.
Ze zijn minder gericht op de samenhangende risicofactoren die mede de geïsoleerde positie van gezinnen versterken. Te vaak zijn de opvoedings- en ondersteuningsprogammas uitsluitend gericht op ouderschapsvaardigheden. Bovendien is het beleid veelal exclusief gericht op werkgelegenheid en opleidingsmogelijkheden.
De meest effectieve beleidsvormen en praktijken blijken opvoedings- en ondersteuningsprogrammas te zijn, die het belang erkennen van de multi-dimensionaliteit van sociale uitsluiting en van de waarnemingen van het individu. Zo blijken projecten effectief te zijn, als ze zich niet alleen richten op persoonlijke problemen maar eveneens op het herstellen van het sociale netwerk en het systematisch organiseren van hulp uit dat netwerk (community support).
De onderzoekers pleiten voor een beleid dat beschermings- en bufferfactoren aanmoedigt en gezinnen helpt uit de sociale uitsluiting te komen. Zo kan de praktijk van de vrijwilligerssector sociale omgevingen helpen opbouwen die het sociale isolement helpen doorbreken.
Om werkelijk een halt aan sociale uitsluiting te kunnen toeroepen is gegevensverzameling en vergelijking op nationaal en Europees niveau, broodnodig. De vestiging van een Europese commissie voor familiezaken die zich bezighoudt met gezinsproblematiek, kan beleidsmakers in staat stellen tijdig een mogelijk gebrek aan deelname aan sociale netwerken vast te stellen.
De aanpak van sociale uitsluiting in gezinnen met jonge kinderen, Homestart International, Londen
2002. Een exemplaar van het onderzoek is op te vragen vragen bij Humanitas, Postbus 71 - 1000 AB Amsterdam, t.a.v. afdeling communicatie.
Voor vragen over het onderzoek kunt u contact opnemen met:
Dr. Majone Steketee, onderzoeker, of met Ida C.M. Linse, communicatieadviseur van het Verwey-Jonker Instituut, telefoonnummer (030) 23 00 799.
Rudy Schreijnders, teamleider communicatie Humanitas, Telefoon 020 523 11 15 of 06 1507 25 61.