Combineren van zorg en arbeid op het platteland vraagt maatwerk

Utrecht, 1 mei 2002

Taakcombineerders in het landelijk gebied kampen met specifieke problemen bij het combineren van arbeid en zorg. Zij stuiten vooral op knelpunten in de kinderopvang, in het vervoer en op problemen bij de persoonlijke dienstverlening. Anders dan in stedelijke gebieden is de vraag naar voorzieningen in het landelijk gebied kleinschaliger. In deze plattelandsgebieden is enerzijds behoefte aan maatwerk, anderzijds is een verheldering van de behoefte aan voorzieningen nodig omdat veel vragen latent leven. Voorzieningen in het landelijk gebied moeten zich kenmerken door kleinschaligheid, flexibiliteit en diversiteit. Voor deze ontwikkeling zijn lokale initiatiefnemers belangrijk die het vertrouwen genieten van de lokale samenleving en die ervoor zorgen dat initiatieven geworteld raken in de plaatselijke gemeenschap.

Dit zijn enkele van de belangrijkste uitkomsten uit het onderzoek naar de benodigde sociale infrastructuur voor taakcombineerders in het landelijk gebied. Het onderzoek is uitgevoerd door het Verwey-Jonker Instituut en Alterra, Research Instituut voor de groene ruimte, in opdracht van het Expertisecentrum LNV van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Deze studie sluit aan bij de pilots die zijn opgezet binnen de Stimuleringsmaatregel Dagindeling van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Wensen van taakcombineerders

De ministeries van LNV en VROM richten hun beleid inzake leefbaarheid tot nu toe vooral op fysieke inrichtingsaspecten. In dit onderzoek staan de sociale inrichtingswensen van taakcombineerders juist centraal. Veel van die wensen blijken geruime tijd in latente vorm aanwezig te zijn voordat een aanbod ontstaat. Taakcombineerders zoeken aanvankelijk persoonlijke oplossingen voor het geringe aantal voorzieningen in het landelijk gebied: zij reduceren de werktijd buitenshuis of een der partners stopt met werken. Zodra een aanbod totstandkomt blijkt de vraag ernaar echter toe te nemen en raakt de ontwikkeling van voorzieningen in een stroomversnelling.

Knelpunten

In de pilots in het landelijk gebied komen vooral drie themas voor de verbetering van de sociale infrastructuur naar voren: kinderopvang, vervoer en persoonlijke dienstverlening.
Ten eerste hebben bewoners van landelijke gebieden die zorg en arbeid combineren behoefte aan een breed aanbod van kinderopvangvoorzieningen. Het gaat dan om het tot stand brengen van vormen van kinderopvang in de buurt, zoals tussenschoolse opvang of opvang van 0-4 jarigen, om flexibiliteit van de kinderopvang en een diversiteit van het aanbod, zowel formeel als informeel.

Ten tweede lijken bewoners van het platteland een laag voorzieningenniveau te accepteren waar het persoonlijke dienstverlening betreft, bijvoorbeeld als het gaat om hulp aan huis, een hondenuitlaatservice of klussendiensten. Er staan voor hen andere, positieve kenmerken van het platteland tegenover. Voor nieuwkomers met nog weinig sociale contacten ligt dit wat anders. Zij zijn voor persoonlijke dienstverlening meer aangewezen op een formeel aanbod, omdat zij nog niet beschikken over een contactennetwerk. De onderzoekers concluderen dat regelgeving voor ondernemers in de persoonlijke dienstverlening (witte werksters) in het landelijk gebied flexibeler toegepast dient te worden, zodat aan de kleinschalige vraag kan worden voldaan.

Ten derde vraagt het vervoer van kinderen veel tijd van taakcombineerders. De oplossing moet gezocht worden in een betere vervoersvoorziening van en naar school of kinderopvang, en op termijn in een ruimtelijke clustering van voorzieningen.

Conclusies

De onderzoekers concluderen dat een Stimuleringsimpuls leven en werken in het landelijk gebied gewenst is. Zon programma moet rekening houden met de specifieke maat en schaal en het vooralsnog ontbreken van een manifeste vraag naar zorgvoorzieningen in het landelijk gebied. Het ministerie van LNV zou hierbij een coördinerende rol kunnen spelen. De minimale stimulans voor de vitalisering van het landelijk gebied moet bestaan uit een breed aanbod van kinderopvang als basisvoorziening, facilitering van vervoer van kinderen zoals de schoolbus, een bengelbus of peuterbus en uit experimenten met persoonlijke dienstverlening. Voldoende aandacht voor cultuur- en identiteitsverschillen tussen regio's zijn daarbij van groot belang.

Meer informatie:

Ida C.M. Linse, communicatieadviseur van het Verwey-Jonker Instituut, telefoonnummer (030) 23 00 799. E: Ilinse@verwey-jonker.nl

Website en CMS door YPOS